Wet 10 Het leven is een voorpost van het sterven. Liefde het verlies dat je samen deelt. Hoewel elkaar gevonden weet je als geliefden. Een van ons zal als eerste gaan het verdriet daarover de vooraf vastgestelde prijs. Als voorschot op de dood zijn wij zelf het levende bewijs.
Ze had een innemend gezicht met helder blauwe ogen die je enorm vragend aan konden kijken, alsof ze woordloos aan het peilen was hoe je over haar dacht. Ze had van nature mooi kastanjebruin haar dat prachtig kon glanzen wanneer het zonlicht er in een bepaalde hoek op viel. Dan werden ook de zachte donshaartjes op haar wangen zichtbaar. Het lichtte op als een nauwsluitend aura. Ze was van katholieke huize en had een groot gevoel voor het numineuze. Dat was iets wat mij direct aansprak. Ze had oog en oor voor mensen om haar heen. Ze keek voorbij de maskerades die mensen dagelijks opvoeren en prikte er moeiteloos doorheen. Zeker op deze opleiding. De poseurs met hun grote actiebereidheid liet ze voor wat ze waren. Niet onder de indruk bleef ze volkomen zichzelf. “Ze weten nog niks van het leven zelf”; zei ze dan rustig. Ze bezat daarmee grote wijsheid. Haar zangerig Limburgse tongval had iets betoverends voor mij dat ze me na zoveel jaren nog kan beroeren. Enkel de herinnering eraan doet me terugverlangen om haar stem en haar dictie nog eenmaal te mogen beluisteren. ‘Roken is slecht’ zei ze altijd wanneer ik een sigaret opstak. Verder veroordeelde ze niet of maakte er geen woorden aan vuil. Wel herhaalde ze dat ene zinnetje bij elke sigaret die ik in haar bijzijn opstak consequent. ‘Roken is slecht.’ Toen we samen de opleiding deden zaten we bij elkaar in de groep.We scheelden nogal in leeftijd. Zij had moeiteloos haar middelbare school doorlopen en was jong geslaagd voor haar MAVO examen en had op haar zestiende de overstap gemaakt naar de opleiding tot sociaal agogisch werker. In haar eerste studiejaar zou ze zeventien worden.Ik moet in de twintig zijn geweest. Al gauw hadden we een soort van contact. Ik bedoel, wanneer we contact hadden met elkaar heerste er een zoete spanning waarbij wij onafhankelijk van elkaar aanvoelden dat we elkaars gezelschap erg prettig vonden. We voelden ons op ons gemak bij elkaar. Op het terrein van de voormalige kostschool, Eikenburg, stond ook een kapel. Daar liepen we regelmatig samen naar binnen om de stilte te ervaren. Het zwijgend bij elkaar zijn, zij starend naar het Mariabeeld, ik starend naar het Christusbeeld, zo in ons zelf gekeerd met eigen gedachten zijn kostbare momenten gebleven. Zij had een meer omvattende blik naar de wereld, zat meer in het leven vieren terwijl ik vanuit mijn calvinistische achtergrond op de dienstbaarheid was gericht. Het jezelf wegcijferen ten gunste van de ander stond hoog in het vaandel want elke vorm van zelfproclamatie was toch maar ijdelheid volgens prediker. Mij was van huis uit geleerd om jezelf niet op de borst te slaan. Zo’n typisch Hollandse grondhouding, je kop nooit boven het maaiveld uit te steken. Het was me met de paplepel ingegoten. Dit stond zo in groot contrast met haar roomse opvoeding. Ze was vertrouwd met het vieren van de mis, het meelopen in processies ter ere van Maria. Ze had haar communie gedaan en vierde het jaarlijks carnaval waarin ze zich totaal overgaf aan de feestvreugde die dat met zich meebracht. En ze zag daar, anders dan mij was meegegeven, totaal geen kwaad in. Sterker nog het was voor haar een belangrijk onderdeel van het leven zoals het bedoeld was door God. Daarbinnen bewaarde ze een grandioze sereniteit. Onaanraakbaar, letterlijk. Ze had iets beschaafds over zich dat van haar afstraalde wanneer je met haar sprak. ` Het aura van sereniteit heb ik nooit doorbroken. Was ik verliefd? Ja. Was zij verliefd? Misschien? Hadden we ‘verkering?’ Nee, nooit gehad ook, maar we konden onszelf wel in de nabijheid van de ander totaal verliezen, fantastisch gelukzalig samen wandelen, praten, elkaar zien. Het Vlaamse : ‘Ik zie u graag.’ Lag op onze lippen bestorven bij elke ontmoeting op school en werd telkenmale woordloos uitgesproken via een aan elkaar ontstolen blik en onvermijdelijke glimlach. Het licht in haar ogen zal ik nooit meer vergeten. Een keer ben ik bij haar thuis geweest. Met de trein de rit gemaakt die zij dagelijks in omgekeerde richting naar school maakte. Haar moeder ontmoet en gesproken. Met haar door haar geboortedorp gewandeld. Geluncht en aan tafel over van alles en nog wat gesproken. Haar levensruimte mogen bekijken, het huisje aan het einde van de straat, de eenvoud van de inrichting, het brood, de thee, het tafelzeil. Het kruisbeeld boven de keukendeur. De gewone auto voor de deur. Eenvoud straalde het allemaal uit. Dezelfde eenvoud die ik in haar zo prachtig vond. Op een werkweek van school aan het begin van het eerste jaar kreeg onze wederzijdse bewondering haar definitieve vorm. Die van een platonische relatie. Lichamelijk werd het nooit, we hebben urenlang elkaars hand vastgehouden, maar gekust werd er nimmer. Alsof dat de verboden vrucht was waarvan we beiden beseften dat als we daarvan zouden eten we alsnog verdreven zouden worden uit dit paradijs. Mooier is de ‘liefde’ of genegenheid nooit geweest dan in die drie jaren dat we samen waren op dezelfde school. Ik heb haar nog éénmaal teruggezien toen ik doodziek in het ziekenhuis lag. Als een engel kwam ze opeens de zaal binnen en stond een poos zwijgend naast mijn bed. Met haar peilende blik drong ze als vanouds weer even diep mijn ziel binnen. ‘Je wordt wel weer beter.’ zei ze met haar zangerig Limburgse tongval en ging heen. Ik heb haar daarna nooit meer teruggezien. Enkel in mijn dromen blijft ze regelmatig komen. Nog steeds zien wij elkaar graag. Nu weet ik dat een werkelijk leven aan haar zijde een feest zou zijn geweest maar een eventueel verdriet haar daarna te verliezen heeft mij kennelijk ervan weerhouden om haar hand te vragen. Ik had dat verlies immers nooit kunnen dragen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.