Daar waar de empirische wetenschap niet langer kan beschrijven of benoemen komt de verbeelding en de kunst aan bod om het onnoembare te beschrijven of het onnoembare zichtbaar te maken via de kunst van verbeelding. Sterker nog, uit niets ontstaat iets.
Zowel in de uitvoerende kunsten als de beeldende kunsten vindt het wonder plaats van het uit niets tot iets komen. Op een zodanige wijze dat het genot verschaft, perspectieven biedt en mensen toch een weg kan wijzen. Een denkrichting kan bieden om verder te gaan. Het jonge kind als geen ander is in staat die weg met een ogenschijnlijk gemak te bewandelen terwijl wij volwassenen dat vermogen onderweg meer en meer verliezen. Het zijn de scheppende geesten, de creatievelingen onder ons die telkens nieuwe wegen vinden om tot betekenisgeving te komen van de directe omgeving, in ons denken en redeneren. Zij geven handen en voeten aan het niet direct waarneembare en maken daarmee het niet direct waarneembare toch waarneembaar. Dat klinkt paradoxaal maar is dat enkel in het licht van onze hang naar empirische bewijsvoering en ons diep gewortelde hang naar logica.
