‘We kunnen, met de huidige staat van opwarming van de aarde, gerust stellen dat we leven in de voltooid verleden ijstijd. Dat klinkt misschien grappig, maar het is wel bloedserieus bedoeld. Want, zeg nou zelf, als je even goed op je in laat werken wat de gevolgen zullen zijn voor het klimaat, kun je er niet meer met een onverschillige blik naar kijken. De ernst mag het nu onderhand wel gaan overnemen van mijn grap. Want grappen over dit onderwerp zijn niet langer om te lachen!’ De nar slaakt een diepe zucht. ‘Mijn zucht is enkel voor het dramatische effect! Lieve mensen.’ Hij staat er een beetje bedroefd bij op zijn podium en kijkt de zaal in om de indruk van zijn boodschap goed te kunnen aflezen. ‘Mag het zaallicht even aan, alsjeblieft?’ De theatermedewerker van het licht roept terug. ‘Nee!’ ‘Nee? Waarom niet?’ ‘Dat kost teveel energie, en energie is nu eenmaal duur. Bovendien is de aarde al genoeg opgewarmd, dacht ik zo. Dat heb je net zelf gezegd, toch?’ ‘Daar heb je een punt! Daar had ik zo gauw even niet aan gedacht. Maar in dat geval kan ik maar beter ook meteen deze voorstelling beëindigen. Want we kunnen de schaarse energie beter gebruiken voor wat anders dan vertier en vermaak! Dames en heren in de zaal, ik verzoek u om dan maar terug naar huis te gaan. Mijn voorstelling is hiermee beëindigd. En, nee, er komt ook geen toegift. Gaat u maar gerust naar huis, ik heb vanavond voor het laatst gespeeld. Ik kan mijn grappen niet meer met volle overtuiging brengen, en dat is toch wel een eerste vereiste voor een goede voorstelling. Dat je gelooft in waar je mee bezig bent. Nee, geacht publiek, gaat u maar gerust naar huis.’ De nar gaat af en het grote doek valt. De zaal blijft verbouwereerd achter. Sommigen blijven zitten, anderen zijn al opgestaan en op weg naar de uitgang van de zaal. Zelfs het normaal verrichte exit-bordje brandt niet meer. De man van licht en geluid geeft maar miniem wat lichtpunten, zodat het publiek nog enigszins veilig de zaal kan verlaten. In de foyer zijn ook de gebruikelijke drankjes niet klaar gezet. De buffetmedewerkers staan er werkeloos bij. Verbaasd en verward halen de mensen bij de garderobe hun jassen op. Hier en daar klinkt gemopper van mensen. ‘Schande! Het is een grote schande!’ ‘Inderdaad, schande, ik eis mijn geld terug!’ ‘Nou, dit is toch geen doen, dit is de laatste keer dat ik naar dit theater ben gekomen! Ik zie ze hier nooit meer!’
De nar, intussen, in zijn kleedkamer aangekomen, heeft zijn zotskap afgezet. Kijkt in de spiegel en zegt tegen zichzelf. ‘Dit is de slechtste grap die je ooit hebt moeten maken! Maar ik kon echt niet anders! Ik zou niet weten hoe ik anders de mensen ervan moet doordringen dat we het punt van onomkeerbaarheid al voorbij zijn. Terwijl de grootste nar op het wereldtoneel heeft gegokt en verloren en daarmee, godbetert, ons allemaal heeft meegezogen in een neerwaartse spiraal die niet meer te stoppen zal zijn, ben ik bang.’ Hij schminkt zich af, ontdoet zich van zijn narrenpak en doet zijn gewone kleren aan. Zo valt hij niet meer op onder de mensen. Hij bergt zijn spullen netjes op in zijn rugtas. Dan doet hij zijn jas aan, hangt zijn rugtas om en doet de verlichting om de spiegel uit en verlaat zijn kleedkamer. Hij loopt door de artiestenfoyer richting de grote hal waar hij zich onopvallend begeeft tussen het nog steeds mopperende publiek. Daar aangekomen doet hij van zijn kant ook nog een mopperende duit in het zakje. Wat u zegt, meneer, mij zien ze hier nooit meer!’ Eenmaal buiten, zoekt hij zijn fiets op en grabbelt in zijn zakken naar de fietssleutel. Dan rijdt hij terug naar huis. Het is krap aan negen uur en zijn voorstelling heeft nauwelijks drie kwartier geduurd. De nar is bezorgd om wat er allemaal nog komen gaat. Persoonlijk is hij zijn eigen grappen al lange tijd voorbij. Het komische is voor hem een valkuil geworden waarin hij op de gekste momenten kan verdwijnen zonder dat het hem enige rust brengt. Hij weet dat hij, net als iedereen, feilbaar is in zijn oordeel over de ander. Hij ziet in dat de ironie door veel mensen niet meer begrepen wordt. Het is niet meer aan hen besteed. Het levert niet langer het noodzakelijke inzicht op bij de mensen. De mensen zijn bereid werkelijk alles te geloven zolang het maar niet de waarheid is. Ja, enkel datgene wat zij voor waar houden. En daartoe zijn ze bereid hun ogen te sluiten voor zoiets als opwarming van het klimaat. Inderdaad, we leven in de voltooid verleden ijstijd. Dat is dus niet direct een misplaatste grap, maar helaas bittere ernst.